Tests stof
Op de meubelstoffen van Verotex worden nog meer tests uitgevoerd dan op het meubelleer. Net als bij leer geldt ook voor stoffen dat er vele richtlijnen kunnen worden gevolgd. Termen die je in testrapporten tegen kunt komen zijn ondermeer British Standard (BS), Internationale Standaardisatie Organisatie (ISO), Deutsche Industrie Norm (DIN), Nederlandse Norm (NEN), Europese Norm (EN)of American Standard Testing Methods (ASTM). De stoffen van Verotex gaan meestal uit van ISO en BS.

De uitslagen van de tests die op de Verotex-stoffen worden gedaan, staan keurig vermeld op de achterzijde van de stofstalen. Achtereenvolgens zijn daar naast de gebruikelijke kenmerken als rapporthoogte, stofsamenstelling, breedte, gewicht, reinigingsadvies, vuilafstotende behandeling en toepassing, ook de gegevens te vinden van de Martindale-test (slijtweerstand), de proefneming op lichtechtheid, brandvertraging en pilling. Vaak worden stoffen daarnaast ook nog gecontroleerd op treksterkte, inscheurweerstand, naadschuifweerstand en wrijfechtheid.

Slijtweerstand
De slijtweerstand of slijtvastheid wordt bepaald door middel van de Martindale-test waarin met behulp van een gewichtje een bepaalde druk wordt veroorzaakt op een wrijfnok. Deze nok wrijft al draaiend in concentrische cirkels over het te testen stuk stof. Wanneer er drie draden zijn gebroken, is het aantal toeren Martindale vastgesteld. Uiterlijke kenmerken als gaatjes, vaalheid, pilling, grip en structuurverandering worden echter eveneens meegenomen in de beoordeling. De waarden lopen voor meubelstoffen uiteen van 6.000 voor decoratieve stoffen tot minimaal 20.000 voor projectstoffen.

De projectstoffen van Verotex hebben echter veel hogere waarden dan het minimum van 20.000, in veel gevallen het dubbele. Eigenlijk heeft Verotex over de hele linie (consument en project) nauwelijks stoffen in de collectie onder de 20.000 toeren Martindale.

Lichtechtheid
Het verschieten van de stof (lichtechtheid) wordt gemeten met behulp van een lichtkast waarin de daglichtsituatie wordt nagebootst met behulp van een xenonlamp. Tests met echt daglicht nemen doorgaans veel tijd in beslag, reden waarom meestal wordt gekozen voor de (internationaal meest gebruikte) xenonlichttest.

De helft van het testlapje wordt afgedekt evenals de helft van de acht lapjes uit de standaard blauwschaal (de blauwe standaardlapjes zijn aangeverfd volgens standaardgegevens uit de norm ISO 105 B02) en samen in de lichtkast gezet. Als de standaardlapjes hun standaardverkleuring hebben bereikt, stopt de machine en kan het testlapje worden gemeten. Het lapje uit de standaard blauwschaal, die loopt van 1 tot en met 8 waarop het testdoek het meeste lijkt, vormt de uitkomst van de test; 1 is slecht (de stof is behoorlijk verschoten), 8 is lichtecht (er is geen kleurverschil tussen de afgedekte en onafgedekte helft).

Brandvertraging
De brandveiligheid van de meeste Verotexstoffen, met name de projectstoffen, wordt getest volgens de BS-normen 5852, 5852 part 2 en 7176. Dit betekent dat de proeven uiteenlopen van de sigarettenproef tot en met vlamproeven. Volgens vaststaande normen worden voor de BS 5852-proef in een zuurkast op een gestoffeerd bankje een (gestandaardiseerde!) brandende sigaret en een vlam (een butaangasvlam die de lucifer nabootst) gelegd. Om voor de test te slagen, moet bij de sigarettentest de vuurhaard binnen één uur zijn gedoofd, inclusief de ongeveer 25 minuten opbrandtijd van de sigaret. Bij de vlamtest moet de vlam (35 millimeter)binnen 120 seconden uit zijn, inclusief de 20 seconden brandtijd van de vlam. Voor de 7176-norm worden nog zwaardere tests uitgevoerd.

Wrijfechtheid
Of een stof kleur afgeeft in het gebruik (wrijfechtheid) wordt getest in de natte en droge wrijfechtheidstest,uitgevoerd volgens ISO-norm 105 X12 op de zogeheten crockmeter. Een bolletje aan een arm (testvinger) met daaromheen een stukje standaard witte katoen gewikkeld, wordt slag na slag (tien keer in tien seconden) over een proefstaal getrokken, zowel in de ketting als de inslagrichting. Gekeken wordt dan of er kleur is achtergebleven op het katoen van het bolletje. De hoeveelheid afgebloedde kleur wordt visueel gemeten aan een standaard grijsschaal van 1 tot en met 5, waarbij 5 voor het beste resultaat staat; de stof is wrijfecht.
Pilling
Vooral de twist, binding, vezellengte, vezelsoort en de manier van gebruik spelen bij pilling een belangrijke rol. Belangrijk is om te weten of het verschijnsel tijdelijk of blijvend is. Verotexstoffen worden met het Martindale-apparaat op pilling getest. Vijf ronde stalen worden gestansd, waarvan vier het apparaat ingaan en het vijfde als origineel wordt bewaard. Bij de test worden alle vier de stalen gelijktijdig op 100 toeren gedraaid. Na elke 100 toeren wordt één staal uit de machine gehaald, waarna de rest doordraait. Honderd toeren wordt verondersteld overeen te komen met een week intensief gebruik. Door de vier stalen te vergelijken met standaardwaarden, kan een conclusie worden getrokken over de mate van pilling. De uitslag wordt uitgedrukt in een schaal van 1 (extreme pilling)tot 5 (geen pilling).

Inscheurweerstand
De scheurweerstand wordt op dezelfde manier gemeten als de treksterkte, met dit verschil dat het ingespannen stuk stof vooraf is ingescheurd.
Treksterkte
Op een dynamometer Zweigle Tensile testing F 441 wordt de treksterkte gemeten volgens norm ISO 5081. Naast de Martindaletest is het een van de meest toegepaste tests. Gemeten wordt de kracht, die nodig is om een strook stof te belasten tot breuk. Dit wordt zowel in de ketting- als in de inslagrichting gedaan. In de dynamometer wordt een stuk stof gespannen waar een bepaalde kracht op wordt gezet, zoals omschreven in de ISO-norm.
TNO noemt dit de snelheid waarmee de garens woden belast, uitgedrukt in een hoeveelheid Newton (N).

Naadschuifweerstand
Onder naadschuifweerstand verstaat men de kracht die nodig is om de kettingdraden te laten verschuiven over de inslagdraden of omgekeerd. De verschuiving van de tweedraad systemen ten opzichte van elkaar wordt ook wel het schiften van de stof genoemd. Voor het bepalen van de schuifweerstand worden twee stalen aan elkaar genaaid volgend de norm en vervolgens belast met een bepaalde trekkracht, opnieuw uitgevoerd op de Zweigle. Bij schifting ontstaat bij de naad een opening tussen te twee staaldelen of een van de delen schuift geheel van de naad. Indien er geen afschuiving plaatsvindt gaat uiteindelijk de naad zelf breken. Indien dit het geval is, wordt de kracht die hiervoor nodig is, afgelezen en opgegeven en is de stof schuifvast.
Copyright Verotex 2008 - Sinds 1983 - Disclaimer